Blog: Wat platformwerk kan leren van het minimumtarief voor freelance journalisten
20 maart 2026 - Hoe bereken je een minimumtarief voor freelancers? En hoe zorg je ervoor dat dit ook in de praktijk impact heeft? Dit waren de vragen die centraal stonden in het webinar 'Een minimum tarief voor zelfstandigen: lessen van een Nederlandse vakbond’. In deze blog deelt Martijn Arets de belangrijkste lessen.

Een minimumtarief of -loon biedt bescherming voor werkenden, vooral aan de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt. Voor werknemers wordt een minimum bepaald door het minimumloon of via cao's. Maar voor zelfstandigen is dit niet geregeld. Dit terwijl maar liefst 46 procent van de werkende wereldbevolking geen werkgever heeft. Hoe bereken je een minimum uurtarief voor freelancers en hoe zorg je ervoor dat een cijfer ook echt impact maakt? Hierover ging ik tijdens het webinar, dat werd georganiseerd vanuit WageIndicator Foundation, in gesprek met Milen van Boldrik van de NVJ (Nederlandse Vereniging voor Journalisten) en Paulien Osse, mede-oprichter van WageIndicator Foundation.
Een minimumtarief voor journalisten
De markt voor journalisten in Nederland kenmerkt zich door een markt met een gefragmenteerd aanbod van veel zelfstandig werkende journalisten en een behoorlijk geconcentreerde vraag waar twee grote mediabedrijven samen de grootste opdrachtgevers zijn. Dit zorgt ervoor dat de onderhandelingspositie van freelance journalisten beperkt is. Dit was aanleiding voor vakbond en beroepsvereniging NVJ om de krachten van journalisten te bundelen en te strijden voor een minimumtarief. De bond is daarbij constant in contact met leden via verschillende Whatsapp en Signal groepen.
Diversificeren als sleutel tot succes
De strategie van de bond om tot dit minimumtarief te komen, komt neer op drie elementen: een brede strategie, het hebben van een lange adem en ultieme solidariteit. Parallel aan de onderhandelingen met opdrachtgevers voor het tarief werden collectieve acties georganiseerd met publieke acties en protesten, werd ingezet op een sterke lobby voor een nieuwe invulling van mededingingsrecht voor zelfstandige ondernemers en werden rechtszaken gevoerd. Het resultaat: freelance journalisten verdienen minimaal 170 procent van het brutoloon dat een journalist in een vergelijkbare functie in loondienst volgens de cao minimaal zou moeten verdienen. Het tarief is afdwingbaar, omdat het onderdeel is van een collectieve afspraak en in een contract tussen de NVJ en de opdrachtgevers is vastgelegd.
Solidariteit als lijm en versneller
Milen vertelt in het webinar dat solidariteit een cruciale rol speelde in het behaalde succes. Solidariteit tussen freelance journalisten is logisch: met twee grote opdrachtgevers is de onderhandelingspositie van de individuele journalist beperkt en loont het al snel om samen op te trekken. Minder gangbaar, maar des te belangrijk, was de solidariteit tussen freelance journalisten en journalisten met een dienstverband. Ook journalisten met een dienstverband hebben belang bij goede minimumtarieven in de markt, aangezien lage tarieven voor freelancers uiteindelijk ook salarissen van werknemers onder druk zetten en daarnaast bij kunnen dragen aan een verschuiving van het werknemerschap naar freelance. Als laatst is er ook solidariteit tussen de journalisten met een hoog tarief en zij met een laag tarief. De logica hierachter: bescherming van de onderkant van de markt weegt zwaarder dan het mogelijke nadeel voor een kleine groep topverdieners. Solidariteit betekent soms dat niet iedereen maximaal profiteert. Maar het alternatief – een race naar beneden – is uiteindelijk voor iedereen slechter.
Hoe data kan bijdragen aan een betere onderhandelingspositie
Het tarief van 170 procent van het cao-loon is het resultaat van een onderhandeling. De belangrijkste tip van Milen: “start hoog, omdat je weet dat je altijd lager zult eindigen”. Een praktische aanvliegroute, maar ik denk dat data bij kan dragen aan een betere uitgangspositie in een onderhandeling.
Data stond dan ook centraal in de tweede bijdrage van dit webinar: Paulien Osse van WageIndicator Foundation. Het doel van de stichting is om via data bij te dragen aan een beter geïnformeerd arbeidsmarktdebat. Veel lessen van Milen resoneerden bij Paulien, die al jaren betrokken is bij gesprekken over ‘leefbare’ betaling van werkenden via het Living Wage en Living Income, maar ook door transparantie te bieden middels databases over arbeidsrecht en cao’s wereldwijd.
Paulien staat ook aan de wieg van het aan het Living Wage gelieerde Leefbaar Tarief: een methodologie om op basis van de kosten om in een bepaalde regio te leven (‘cost of living’) te berekenen wat een zelfstandig ondernemer minimaal moet verdienen. Immers: om te kunnen overleven, moet een inkomen ook voldoende zijn om belasting en sociale zekerheid te kunnen betalen. Om tot deze berekening te komen, wordt ieder kwartaal in 185 landen en 4000 regio’s data over prijzen verzameld. Het Leefbaar Tarief zou onderhandelaars van vakbonden en werkenden kunnen helpen hun verhaal te onderbouwen. Belangrijkste les volgens Paulien: “cijfers zullen nooit perfect zijn, daar moet je je niet door laten weerhouden. Iedere dag dat je je druk maakt om perfecte cijfers, breng je geen vooruitgang bij werkenden die het nodig hebben”.
Wat de platformwerk kan leren van de NVJ
Minimumtarieven voor zelfstandig werkenden zijn ook een belangrijk onderwerp in de discussies rondom platformwerk, zeker met het oog op de Europese Platformwork Directive en de ILO Platformwork Convention. De markt voor journalistiek en platformwerk hebben een aantal gelijkenissen. Zo is in beide markten het aanbod van werk sterk gefragmenteerd en is door de jaren heen de vraagkant (de klant) gecentraliseerd. In de journalistiek komt dit door fusies en overnames, bij platformwerk komt het door de komst van grote platformen die tussen de werkende en de klant zijn komen te staan. Beiden hebben hetzelfde effect: minder autonomie, minder ondernemingsruimte en een slechtere onderhandelingspositie voor de werkende. Hierbij is het organiseren van werkenden in de platformeconomie uitdagend in vergelijking met de journalistiek: de populatie is heterogener, de werkzaamheden gestandaardiseerd (waardoor de werkende makkelijker inwisselbaar is), de opdrachten zijn vaak heel kort en mensen werken vaak maar voor een korte periode in de sector.
Toch kan de platformwerk sector veel leren van deze casus: door te investeren in organiseren en solidariteit, door goed te verenigen voor lobby en door op meerdere paarden tegelijk te wedden kan er daadwerkelijk iets voor de werkende worden gedaan.
Tot slot
Wat deze discussie uiteindelijk duidelijk maakt, is dat de toekomst van freelance werk niet alleen draait om flexibiliteit of ondernemerschap. Het draait om instituties. Om solidariteit en afspraken, collectieve afspraken en nieuwe vormen van organisatie die passen bij een arbeidsmarkt waarin steeds meer mensen zelfstandig werken. De ervaring uit de journalistiek laat zien dat verandering mogelijk is. Maar ook dat het tijd kost. Zoals Paulien Osse het nuchter samenvatte: structurele verbetering begint zelden met een revolutie, maar met een miljoen kleine stappen. En meestal begint het met één simpele vraag: wat is een leefbaar tarief waarmee de werkende de minimale kosten kan dragen?
Martijn Arets is auteur, onderzoeker en internationaal platform expert. Hij onderzoekt sinds 2012 de opkomst van de platformeconomie en focust zich bij WageIndicator op vraagstukken rondom platformwerk, technologie en arbeid.

Webinar
Kijk het webinar "Een minimum tarief voor zelfstandigen: lessen van een Nederlandse vakbond" hier terug.